Vergrijzing

Deze Praktische Opdracht gaat over Vergrijzing, in opdracht van meneer Wolthuis. Door Jordy en Marcel.

Wat betekent 'Babyboom'?

Babyboom is een Noord-Amerikaanse term die gebruikt wordt om de geboortegolf van baby's aan te geven in de periode ná de Tweede Wereldoorlog door een periode van  stijgende welvaart. Het gaat om de periode 1946 tot en met (ongeveer) 1965. Deze trad op in Nederland, maar ook in vele andere West-Europese landen. Zelfs in Canada, de Verenigde Staten en Australië kennen ze het begrip en begon het in precies dezelfde periode als in West-Europa. In Nederland is er een hele grote stijging te zien van het aantal kinderen dat geboren wordt, tussen 1945 en 1948. In 1946 begint de geboortegolf, precies een jaar na de oorlog, en het eindigt dus ongeveer rond 1965. In de jaren '46 en '47 zien we op figuur 1 een groot aantal babyboomers.


Aantal levendgeborene vanaf 1925 t/m 2000. Aantallen x 1000
Bron: CBS
Mijn excuses voor de onduidelijkheid van het plaatje, hij moest ingekort worden.

Duidelijk te zien in het plaatje, misschien wat onduidelijk voor u, mijn excuses hiervoor, is dat in 1946 en 1947 ruim 380.000 en 370.000 baby's geboren zijn. Dit terwijl er anno 2007 185.000 kinderen geboren werden. Je ziet dus een duidelijk verschil in aantal, zo'n 200.000 mensen.
Zo te zien dus één van de oorzaken van de vergrijzing, al hadden we dit al besproken onder het kopje 'Maatschappelijk Probleem?'.

Doordat deze golf babyboomers binnenkort met pensioen gaan, lijkt het onbetaalbaar te worden. We spreken van de zogenoemde Vergrijzing in de samenleving. Waar het nu nog 5 werknemers op 1 gepensioneerde is, wordt het in 2040 volgens onderzoeken 2 werknemers op 1 gepensioneerde en in 2050 zelfs 1 werknemer op 1 gepensioneerde. Dat kan toch niet de bedoeling zijn, zie ik je al denken.

Dit is echter niet alleen in Nederland zo, ook in België, de Verenigde Staten, Spanje, Canada, Australië, Engeland en zelfs Rusland. Allemaal landen waar, sommige wat beperkter dan andere, een grote groep baby's geboren werden na de oorlog.

Aldus, mensen die tussen 1946 en 1965 geboren worden, worden babyboomers genoemd.
Soms spreken ze ook wel van 1946 t/m 1955, maar in feite zijn het aantal geborenen t/m 1965 erg hoog. Daarna neemt het pas af en kunnen we niet meer spreke van een babyboom.

De babyboom-generatie heeft een aantal dingen gemeen met elkaar:
1. Ze hadden allemaal te maken met een sterke en goede welvaart, ze waren immers ná de oorlog geboren. Na de oorlog steeg de welvaart met rasse schreden wat de babyboomers
goed heeft gedaan.
2. In dezelfde tijd geboren, dus in dezelfde generatie
3. Ze hebben het (in vergelijking met daarvoor) altijd goed gehad vanwege de hoge welvaart.
4. Ze waren allemaal aanwezig in de hippie-tijd die midden in de jaren 60 opbloeiden, en studeerden in die tijd ook.

Door (onder andere) de Babyboom als gevolg van de goede welvaart is dus de vergrijzing ontstaan. Dit kan niet ontkend worden en is een feit.

Maar nog steeds resteert de vraag, is de vergrijzing wel een probleem?

Historische schets van de Vergrijzing

We bespreken hier de geschiedenis van de vergrijzing in Nederland. Het begon allemaal in 1900.  Je deed je intrede op de arbeidsmarkt rond je 15e levensjaar. Dit kon zelfs eerder zijn, er waren kinderen van 12 die al aan het werken waren. Dit is later natuurlijk veranderd en tegenwoordig is het zo dat een gemiddeld persoon rond zijn 20e levensjaar zijn intrede op de arbeidsmarkt doet. Vroeger was je dus ruim 10 tot 15 jaar langer aan het werk in vergelijking met nu. Je was dus praktisch heel je leven aan het werken en werken. Pas in 1957 was het ingevoerd dat je met je 65e kon stoppen met werken. Voor 1957 had je dus niet de mogelijkheid om met pensioen te gaan met een leuk bedrag. Het was dus werken vanaf je 12e tot wanneer je dood ging. Mocht je ziek zijn, had je ook geen inkomen en kon je geen eten kopen. Gevolg was dat je dood ging. Je ziet maar hoe slecht de arbeidsomstandigheden toen waren, in vergelijking met nu heel anders. De leefomstandigheden waren slecht, op het werk was het niet veel anders als thuis. De hygiene was ver te zoeken en je moest van smorgens vroeg tot savonds laat werken. Dus niet alleen het aantal jaren moest je meer werken in die tijd, ook het aantal uren per dag en het aantal dagen per week. Het kwam nogal vaak voor dat je ook op een zaterdag moest gaan werken. Rond 1900 waren er nog maar 0,3 miljoen 65-plussers tegenover 2,4 miljoen 65-plussers nu. Dit komt mede door de betere hygiene en medicijnen van nu. Alles is zo'n beetje verbeterd waardoor de levensverwachting is gaan stijgen. In de 18e eeuw waren er wel een soort pensioensvoorzieningen. Deze waren alleen nog niet wettelijk vastgelegd en golden alleen voor militairen en ambtenaren. Er kwamen langzaamaan in de 19e eeuw steeds meer pensioensvoorzieningen, maar nog steeds was het niet zo dat deze wettelijk werden vastgelegd. 

Uiteindelijk was het zover: in 1913 kwam er dan eindelijk wettelijk vastgelegd een vorm van sociale zekerheid. Het was de zogenoemde Invaliditeitswet. Deze wet hield in dat er bij het bereiken van de 70 jarige leeftijd een pensioentje werd uitgekeerd. Je werd dan namelijk als invalide beschouwd. In die tijd was het bijzonder om de leeftijd van 70 jaar te bereiken en daarom was het niet veel mensen gegund om nog van een pensioentje te mogen genieten. Het bestond uit een verplichte verzekering voor loonarbeiders en een vrijwillige verzekering voor zelfstandigen. De arbeidsomstandigheden waren zo slecht dus, dat maar heeel weinig mensen deze leeftijd bereikten. Het was een pensioen die net genoeg was om in je primaire behoeften te voorzien en trad pas na 6 jaar in werking door de Eerste Wereldoorlog.
De mensen die tegenwoordig een AOW hebben, hebben veel meer dan de mensen toen hadden. Natuurlijk is er de enorme inflatie, maar dan nog saat het niet in verhouding met wat ze toen kregen.

Toen brak de Tweede Wereldoorlog uit. In die tijd werd er natuurlijk meer gedacht aan het beschermen van eigen land in plaats van eventuele pensioensvoorzieningen en is het niet zo raar dat er niks gebeurde in de sociale zekerheid. In de periode na de Tweede Wereldoorlog bloeide de welvaart weer op en begonnen ze weer na te denken over pensioensvoorzieningen.

Nog geen 3 jaar na de Tweede Wereldoorlog, in 1952, werd de zogenoemde Pensioen- en Spaarfondsenwet ingevoerd. Dit betekende dus dat mensen een jaarlijkse premie konden betalen om zich na hun 65e te voorzien van een leuk pensioentje. In 1957 was er dan een grotere doorbraak in de wetgeving. De AOW werd ingevoerd onder het kabinet van Willem Drees. Willem Drees was al bekend geworden door het invoeren van de Noodwet Ouderdomsvoorziening in 1947. Deze duurde dus tot 1957 omdat de AOW de opvolger was van deze wet. Deze Noodwet was bedoeld voor mensen zonder of mensen met weinig inkomen en al langere tijd in Nederland woonden. Ook werd er gekeken of je nuttig was geweest voor de maatschappij eer je een uitkering kreeg. Zie ook onderstaande grafiek.


Uit onderstaande grafiek is af te lezen hoeveel uitkering je kreeg bij de Noodwet Ouderdomsvoorziening van Willem Drees.



In 1957 werd de AOW dus ingevoerd, onder meer door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid J.G Suurhoff, de minister van Financiën W.H. van den Berge en de minister van Binnenlandse zaken Louis Beel. Deze waren allen actief onder het bewind van minister president Willem Drees. De AOW is onder meer voortgekomen uit het voormalige Pruisen en Engeland, waar al eerder dit soort voorzieningen langzaam van kracht werden.

De AOW is een basispensioen die uitgekeerd wordt aan iedereen die 65 jaar of ouder is en in Nederland woont of (lange tijd) in Nederland heeft gewoond. Het is dus niet zo dat alleen de armeren deze uitkering krijgen, maar ook de rijkere 65-plussers. Wat natuurlijk wel moet gebeuren is een AOW-premie betalen waaruit je AOW is opgebouwd. Deze worden betaald via de belastingen uit inkomsten (door werk). De AOW bestaat voor alleenstaanden uit 70%
van het laatstverdiende loon en voor gehuwden 50% van het minimumloon. De AOW wordt geregeld door de Sociale Verzekeringsbank en de premies worden verkregen door de Belastingdienst. Het is zo dat de AOW moet voorzien in een bepaalde minimale behoefte. Het is dus niet zo dat je er een Ferrari mee kan kopen! Het moet net genoeg zijn om je dagelijkse eten/drinken en andere primaire behoeften mee te betalen.

Er zijn inmiddels plannen van D'66 om de AOW-leeftijd te verhogen naar 67 jaar. Dit moet dan in 2030 voltooid worden waardoor er per jaar een x aantal jaren omhoog gaat. Per jaar gaat de AOW-leeftijd als het aan D66 ligt dus met 2 maanden omhoog. Ook de VVD had deze plannen maar deze zijn voorlopig ingetrokken. MEt de afschaffing van de prepensioen voor mensen die na 1950 geboren zijn, is er al een grote stap gedaan richting het verhogen van de pensioengerechtigde leeftijd.